← Topic bank

06 · Speaking A2

De kleding

Speaking goal

What you should be able to say

U gaat naar een sollicitatiegesprek. Welke kleren trekt u aan en waarom?

  1. Noem de kleren.
  2. Zeg welke kleur of stijl u kiest.
  3. Leg uit waarom dit past bij het gesprek.

Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

43 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words43
de kleding / de kleren
clothing / clothes
de jas
coat / jacket
de broek
trousers
de rok
skirt
de jurk
dress
het T-shirt
T-shirt
de trui
jumper / sweater
het overhemd
shirt
de blouse
blouse
het pak
suit
de schoen
shoe
de laars
boot
de sok
sock
de handschoen
glove
de hoed
hat
de pet
cap
de riem
belt
de maat
size
de kleur
colour
katoen
cotton
passen
to try on / fit
dragen
to wear
aantrekken
to put on
uittrekken
to take off
kopen
to buy
ruilen
to exchange
retourneren
to return an item
te groot
too big
te klein
too small
strak
tight
wijd
loose / wide
lang
long
kort
short
mooi
beautiful / nice
goedkoop
cheap
duur
expensive
Welke maat heeft u?
What size are you?
kleding ophangen
to hang up clothes. Dutch example: Ik hang mijn kleding in de kast op.
de jas neerleggen
to put the coat down. Dutch example: Leg de jas op de stoel neer.
kleren in de kast leggen
to put clothes in the wardrobe. Dutch example: Ik leg de schone kleren in de kast.
schoenen neerzetten
to put shoes down. Dutch example: Zet uw schoenen bij de deur neer.
een maat aangeven
to state a size. Dutch example: Kunt u uw maat aangeven?
een tas meenemen
to take a bag along. Dutch example: Ik neem een kleine tas mee.