10 · Speaking A2
Eten en drinken
Speaking goal
What you should be able to say
Vertel wat u op een gewone dag eet en drinkt.
- Vertel over ontbijt.
- Noem lunch of avondeten.
- Zeg wat u meestal drinkt.
Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.
Practise this topic →Vocabulary
Topic vocabulary
Learn nouns with their article and verbs with a short example.
Show all words45
- het eten
- food
- het drinken
- drinks
- de koffie
- coffee
- de thee
- tea
- de melk
- milk
- het water
- water
- het sap
- juice
- de frisdrank
- soft drink
- het brood
- bread
- de boterham
- slice of bread / sandwich
- de kaas
- cheese
- het ei
- egg
- de soep
- soup
- de rijst
- rice
- de pasta
- pasta
- de vis
- fish
- het vlees
- meat
- de kip
- chicken
- het ontbijt
- breakfast
- de lunch
- lunch
- het avondeten
- evening meal
- de honger
- hunger
- de dorst
- thirst
- eten
- to eat
- drinken
- to drink
- proeven
- to taste
- bestellen
- to order
- vegetarisch
- vegetarian
- gezond
- healthy
- lekker
- tasty
- zout
- salty
- zoet
- sweet
- zuur
- sour
- bitter
- bitter
- heet
- hot
- koud
- cold
- Eet smakelijk!
- Enjoy your meal!
- Ik wil graag ...
- I would like ...
- Mag ik de rekening?
- May I have the bill?
- het eten op tafel zetten
- to put the food on the table. Dutch example: Zet het eten op tafel.
- brood op een bord leggen
- to put bread on a plate. Dutch example: Leg het brood op een bord.
- eten aan de kinderen geven
- to give food to the children. Dutch example: Ik geef de kinderen fruit.
- een drankje krijgen
- to receive a drink. Dutch example: Bij de lunch krijg ik koffie.
- lunch meenemen
- to take lunch along. Dutch example: Ik neem mijn lunch mee naar het werk.
- koffie inschenken
- to pour coffee. Dutch example: Zal ik koffie voor u inschenken?