← Topic bank

13 · Writing A2

De dieren

Writing goal

What you should be able to write

Uw buurvrouw past één dag op uw kat. Schrijf korte instructies.

  1. Zeg wanneer de kat eten krijgt.
  2. Noem wat de kat drinkt.
  3. Schrijf uw telefoonnummer voor vragen.

Turn every task bullet into at least one complete sentence.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

43 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words43
het dier
animal
het huisdier
pet
de hond
dog
de kat
cat
de vogel
bird
de vis
fish
het konijn
rabbit
de muis
mouse
de koe
cow
het paard
horse
het schaap
sheep
het varken
pig
de kip
chicken
de eend
duck
de leeuw
lion
de olifant
elephant
de aap
monkey / ape
de beer
bear
de slang
snake
de tijger
tiger
de dierentuin
zoo
de dierenarts
vet
de kooi
cage
de stal
stable
de staart
tail
voeren
to feed
verzorgen
to care for
vangen
to catch
bijten
to bite
blaffen
to bark
miauwen
to meow
gevaarlijk
dangerous
grappig
funny
sterk
strong
zwak
weak
Mijn huisdier heet ...
My pet is called ...
Ik ben bang voor ...
I am afraid of ...
het dier eten geven
to give the animal food. Dutch example: Ik geef mijn huisdier twee keer per dag eten.
de hond water geven
to give the dog water. Dutch example: Geef de hond vers water.
de hond uitlaten
to walk the dog. Dutch example: Ik laat de hond elke ochtend uit.
het konijn oppakken
to pick up the rabbit. Dutch example: Pak het konijn voorzichtig op.
de kat neerzetten
to put the cat down. Dutch example: Zet de kat rustig op de grond neer.
een huisdier meenemen
to take a pet along. Dutch example: Mag ik mijn hond meenemen?