← Topic bank

15 · Writing A2

De sport

Writing goal

What you should be able to write

Stuur een bericht aan een sportclub. U wilt een proefles volgen.

  1. Zeg welke sport u wilt proberen.
  2. Vraag naar dag en tijd.
  3. Vraag wat u mee moet nemen.

Turn every task bullet into at least one complete sentence.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

43 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words43
de sport
sport
de club
club
de vereniging
association / club
het team
team
de speler
player
de trainer
coach
de wedstrijd
match / competition
de scheidsrechter
referee
het stadion
stadium
het zwembad
swimming pool
de bal
ball
voetbal
football
tennis
tennis
hardlopen
running
zwemmen
swimming
fietsen
cycling
wandelen
walking
schaatsen
skating
skiën
skiing
trainen
to train
oefenen
to practise
winnen
to win
verliezen
to lose
scoren
to score
gooien
to throw
springen
to jump
bewegen
to move
de winnaar
winner
de kampioen
champion
de medaille
medal
de prijs
prize
de overwinning
victory
moe
tired
fit
fit
sportief
sporty
Ik sport ... keer per week.
I exercise ... times a week.
Mijn favoriete sport is ...
My favourite sport is ...
de bal aan iemand geven
to give, pass the ball to someone. Dutch example: Geef de bal aan je teamgenoot.
de bal pakken
to catch, pick up the ball. Dutch example: De keeper pakt de bal.
sportspullen meenemen
to take sports gear along. Dutch example: Neem sportkleding en water mee.
de fiets bij de club neerzetten
to park the bicycle by the club. Dutch example: Zet de fiets bij de ingang neer.
een medaille krijgen
to receive a medal. Dutch example: De winnaar krijgt een medaille.
een team kiezen
to choose a team. Dutch example: De trainer kiest het team.