← Темы Writing

17 · Writing A2

De vakantie

Dutch phrases and examples remain in the original: Dutch is the exam language.

TOPIC PACK / ТЕМАТИЧЕСКИЙ НАБОР 17. De vakantie Отпуск и путешествия / Holidays and travel

Book lesson 17 | printed page 209

42 Quizlet cards

Краткий обзор / Brief overview

This topic covers trips, luggage, accommodation, documents and delays. For the exam, you should be able to talk about a journey, book accommodation and explain a travel problem.

Что нужно уметь / What you should be able to do

Возможные задания / Possible prompts

Nederlands

Русский

English

Waar gaat u graag op vakantie en met wie?

Куда вы любите ездить в отпуск и с кем?

Where do you like going on holiday and with whom?

Wat neemt u mee in uw koffer?

Что вы берёте с собой в чемодане?

What do you take in your suitcase?

Uw vlucht heeft vertraging. Wat doet u?

Ваш рейс задерживается. Что вы делаете?

Your flight is delayed. What do you do?

For each prompt, give an oral answer of 3-5 short sentences. Then choose one prompt and write 4-6 sentences or a short message for the situation.

Ключевые действия / Key actions

These verbs help you build complete answers: who puts, places, gives, takes, carries or receives what.

Nederlands

Русский / English

Voorbeeld / Example

bagage meenemen

to take luggage along

Wij nemen twee koffers mee.

de koffer neerzetten

to put the suitcase down

Zet de koffer hier neer.

het paspoort laten zien

to show the passport

Laat uw paspoort bij de controle zien.

een kaart aan de toerist geven

to give the tourist a map

De gids geeft de toerist een kaart.

de tent opzetten

to put up the tent

Wij zetten de tent op de camping op.

de koffer inpakken

to pack the suitcase

Ik pak mijn koffer de avond ervoor in.

Лексика в формате Quizlet / Quizlet vocabulary

In the accompanying TXT file, the term and definition are separated by a tab. Each new line is a new card.

Dutch term / Нидерландский термин

Definition: RU | EN / Определение: RU | EN

de vakantie

holiday

de reis

trip

het buitenland

abroad

het binnenland

within the country

de toerist

tourist

de reiziger

traveller

het hotel

hotel

de camping

campsite

de tent

tent

de caravan

caravan

het vakantiehuis

holiday home

de koffer

suitcase

de rugzak

backpack

de bagage

luggage

het paspoort

passport

het visum

visa

het ticket

ticket

de luchthaven

airport

de douane

customs

het vertrek

departure

de aankomst

arrival

de vertraging

delay

de gids

guide

het reisbureau

travel agency

boeken

to book

reizen

to travel

vertrekken

to depart

aankomen

to arrive

inchecken

to check in

uitchecken

to check out

logeren

to stay

bezoeken

to visit

actief

active

rustig

quiet / relaxed

Waar gaat u naartoe?

Where are you going?

Ik ga ... dagen op vakantie.

I am going on holiday for ... days.

bagage meenemen

to take luggage along. Dutch example: Wij nemen twee koffers mee.

de koffer neerzetten

to put the suitcase down. Dutch example: Zet de koffer hier neer.

het paspoort laten zien

to show the passport. Dutch example: Laat uw paspoort bij de controle zien.

een kaart aan de toerist geven

to give the tourist a map. Dutch example: De gids geeft de toerist een kaart.

de tent opzetten

to put up the tent. Dutch example: Wij zetten de tent op de camping op.

de koffer inpakken

to pack the suitcase. Dutch example: Ik pak mijn koffer de avond ervoor in.

Writing practice · email

8:00 min

Your draft is saved only on this device. Do not enter real personal, medical or banking data.

Self-check
  • I answered every part of the task.
  • I used short, clear sentences.
  • I checked word order and key words.
Show sample answer

Hallo, Ik wil graag een kamer reserveren van 12 tot 15 juli voor twee personen. Kunt u mij vertellen wat de prijs per nacht is? Met vriendelijke groet, Mila de Vries