17 · Writing A2
De vakantie
Writing goal
What you should be able to write
Schrijf een bericht aan een hotel. U wilt een kamer reserveren.
- Noem de data.
- Zeg voor hoeveel personen.
- Vraag naar de prijs.
Turn every task bullet into at least one complete sentence.
Practise this topic →Vocabulary
Topic vocabulary
Learn nouns with their article and verbs with a short example.
Show all words42
- de vakantie
- holiday
- de reis
- trip
- het buitenland
- abroad
- het binnenland
- within the country
- de toerist
- tourist
- de reiziger
- traveller
- het hotel
- hotel
- de camping
- campsite
- de tent
- tent
- de caravan
- caravan
- het vakantiehuis
- holiday home
- de koffer
- suitcase
- de rugzak
- backpack
- de bagage
- luggage
- het paspoort
- passport
- het visum
- visa
- het ticket
- ticket
- de luchthaven
- airport
- de douane
- customs
- het vertrek
- departure
- de aankomst
- arrival
- de vertraging
- delay
- de gids
- guide
- het reisbureau
- travel agency
- boeken
- to book
- reizen
- to travel
- vertrekken
- to depart
- aankomen
- to arrive
- inchecken
- to check in
- uitchecken
- to check out
- logeren
- to stay
- bezoeken
- to visit
- actief
- active
- rustig
- quiet / relaxed
- Waar gaat u naartoe?
- Where are you going?
- Ik ga ... dagen op vakantie.
- I am going on holiday for ... days.
- bagage meenemen
- to take luggage along. Dutch example: Wij nemen twee koffers mee.
- de koffer neerzetten
- to put the suitcase down. Dutch example: Zet de koffer hier neer.
- het paspoort laten zien
- to show the passport. Dutch example: Laat uw paspoort bij de controle zien.
- een kaart aan de toerist geven
- to give the tourist a map. Dutch example: De gids geeft de toerist een kaart.
- de tent opzetten
- to put up the tent. Dutch example: Wij zetten de tent op de camping op.
- de koffer inpakken
- to pack the suitcase. Dutch example: Ik pak mijn koffer de avond ervoor in.