← Topic bank

11 · Writing A2

Het weer

Writing goal

What you should be able to write

Stuur een bericht aan een vriend. Door slecht weer verandert uw plan.

  1. Noem het oorspronkelijke plan.
  2. Leg uit wat het weer is.
  3. Stel een nieuw plan voor.

Turn every task bullet into at least one complete sentence.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

42 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words42
het weer
weather
het weerbericht
weather forecast
de temperatuur
temperature
het seizoen
season
de lente
spring
de zomer
summer
de herfst
autumn
de winter
winter
de zon
sun
de regen
rain
de sneeuw
snow
de wind
wind
de storm
storm
de wolk
cloud
de lucht
sky / air
het ijs
ice
de paraplu
umbrella
de jas
coat
schijnen
to shine
regenen
to rain
sneeuwen
to snow
waaien
to blow
vriezen
to freeze
dooien
to thaw
warm
warm
koud
cold
zonnig
sunny
bewolkt
cloudy
droog
dry
nat
wet
licht
light
donker
dark
Hoe is het weer?
What is the weather like?
Het is ... graden.
It is ... degrees.
Morgen wordt het ...
Tomorrow it will be ...
Neem een paraplu mee.
Take an umbrella with you.
een paraplu meenemen
to take an umbrella along. Dutch example: Neem vandaag een paraplu mee.
een jas aantrekken
to put on a coat. Dutch example: Trek een warme jas aan.
binnen blijven
to stay indoors. Dutch example: Bij storm blijf ik binnen.
de fiets binnen zetten
to put the bicycle indoors. Dutch example: Ik zet mijn fiets binnen.
de planten water geven
to water the plants. Dutch example: Geef de planten extra water.
de ramen sluiten
to close the windows. Dutch example: Sluit de ramen bij harde wind.