Speaking reference
Position, movement and prepositions
Это справочный банк. Сначала выучите essentials, затем повторяйте только слова, которых не хватает в ответах.
Vocabulary
Словарь темы
Учите существительные вместе с артиклем, а глаголы — вместе с коротким примером.
Показать все слова48
- liggen
- лежать, находиться горизонтально. Пример: Het boek ligt op tafel.
- staan
- стоять, находиться вертикально. Пример: De fles staat in de koelkast.
- zitten
- сидеть; находиться внутри. Пример: De sleutel zit in mijn tas.
- hangen
- висеть. Пример: De jas hangt aan de kapstok.
- leggen -> liggen
- действие и результат: положить -> лежать. Ik leg het boek op tafel. Daarna ligt het daar.
- zetten -> staan
- действие и результат: поставить -> стоять. Ik zet de fles in de koelkast. Daarna staat zij daar.
- in ... doen/stoppen -> zitten
- действие и результат: положить внутрь -> находиться внутри. Ik doe de sleutel in de tas. Nu zit hij in de tas.
- ophangen -> hangen
- действие и результат: повесить -> висеть. Ik hang de jas op. Nu hangt hij aan de kapstok.
- geven -> krijgen
- два взгляда на передачу: давать -> получать. Ik geef haar een boek. Zij krijgt een boek.
- op
- на поверхности. Het bord staat op tafel.
- in
- внутри. De melk staat in de koelkast.
- aan
- на, у, прикреплено к. De jas hangt aan de kapstok.
- onder
- под. De tas ligt onder de stoel.
- boven
- над, наверху. De lamp hangt boven de tafel.
- naast
- рядом с. De fiets staat naast het huis.
- tussen
- между. De winkel ligt tussen de bank en de apotheek.
- voor
- перед. De auto staat voor het huis.
- achter
- за, позади. De tuin ligt achter het huis.
- tegenover
- напротив. De bushalte is tegenover de school.
- bij
- у, рядом, у кого-то. Ik wacht bij de ingang.
- naar
- к, в направлении. Ik ga naar de huisarts.
- van
- из, от. Ik kom van mijn werk.
- uit
- изнутри. Zij haalt het boek uit de tas.
- door
- через, сквозь. Wij lopen door het park.
- over
- через, над. De bus rijdt over de brug.
- langs
- вдоль, мимо. Loop langs de supermarkt.
- links
- слева, налево. Links staat een kast.
- rechts
- справа, направо. Rechts ziet u de ingang.
- in het midden
- в центре. In het midden zit een kind.
- bovenaan
- вверху. Schrijf uw naam bovenaan.
- onderaan
- внизу. Zet uw handtekening onderaan.
- binnen
- внутри. De kinderen spelen binnen.
- buiten
- снаружи, на улице. De fietsen staan buiten.
- hier
- здесь. Zet de doos hier neer.
- daar
- там. Leg de jas daar neer.
- ergens
- где-то. Mijn telefoon ligt ergens in huis.
- nergens
- нигде. Ik kan de sleutel nergens vinden.
- rechtdoor
- прямо. Ga bij het stoplicht rechtdoor.
- linksaf
- налево. Sla bij de bank linksaf.
- rechtsaf
- направо. Sla na de brug rechtsaf.
- omhoog
- вверх. Hij tilt de doos omhoog.
- omlaag
- вниз. De lift gaat omlaag.
- naar binnen
- внутрь. Kom alstublieft naar binnen.
- naar buiten
- наружу. Zij brengt de vuilnis naar buiten.
- naar boven
- наверх. Ik ga met de trap naar boven.
- naar beneden
- вниз. Hij loopt naar beneden.
- dichtbij
- близко. De school ligt dichtbij.
- ver weg
- далеко. Het ziekenhuis ligt ver weg.