← Основа Speaking

Position, movement and prepositions

Нидерландские фразы и примеры оставлены в оригинале: это язык экзамена.

CORE LANGUAGE / БАЗОВЫЙ ЯЗЫК

Position, movement and prepositions

Положение, перемещение и предлоги

Position, movement and prepositions

Edition: 21 July 2026

48 Quizlet cards

Краткий обзор / Brief overview

Главное правило: действие и положение часто выражаются разными глаголами. leggen означает положить, а liggen - лежать; zetten - поставить, а staan - стоять. Эти пары особенно важны при описании фотографий и инструкций.

Схема действия и результата / Action-result pattern

Пара / Pair

Действие / Action

Результат / Result

leggen -> liggen

Ik leg het boek op tafel.

Het boek ligt op tafel.

zetten -> staan

Ik zet de fles in de koelkast.

De fles staat in de koelkast.

doen/stoppen -> zitten

Ik doe de sleutel in mijn tas.

De sleutel zit in mijn tas.

ophangen -> hangen

Ik hang de jas aan de kapstok op.

De jas hangt aan de kapstok.

geven -> krijgen

Ik geef haar een formulier.

Zij krijgt een formulier.

Как отвечать по картинке / How to answer from a picture

Сначала назовите объект и место, затем действие: Op tafel staat een kopje. De vrouw zet een bord ernaast. Daarna geeft zij het bord aan de man. First name the object and place, then the action: Op tafel staat een kopje. De vrouw zet een bord ernaast. Daarna geeft zij het bord aan de man.

Лексика в формате Quizlet / Quizlet vocabulary

Dutch term / Нидерландский термин

Definition: RU | EN / Определение: RU | EN

liggen

лежать, находиться горизонтально. Пример: Het boek ligt op tafel.

staan

стоять, находиться вертикально. Пример: De fles staat in de koelkast.

zitten

сидеть; находиться внутри. Пример: De sleutel zit in mijn tas.

hangen

висеть. Пример: De jas hangt aan de kapstok.

leggen -> liggen

действие и результат: положить -> лежать. Ik leg het boek op tafel. Daarna ligt het daar.

zetten -> staan

действие и результат: поставить -> стоять. Ik zet de fles in de koelkast. Daarna staat zij daar.

in ... doen/stoppen -> zitten

действие и результат: положить внутрь -> находиться внутри. Ik doe de sleutel in de tas. Nu zit hij in de tas.

ophangen -> hangen

действие и результат: повесить -> висеть. Ik hang de jas op. Nu hangt hij aan de kapstok.

geven -> krijgen

два взгляда на передачу: давать -> получать. Ik geef haar een boek. Zij krijgt een boek.

op

на поверхности. Het bord staat op tafel.

in

внутри. De melk staat in de koelkast.

aan

на, у, прикреплено к. De jas hangt aan de kapstok.

onder

под. De tas ligt onder de stoel.

boven

над, наверху. De lamp hangt boven de tafel.

naast

рядом с. De fiets staat naast het huis.

tussen

между. De winkel ligt tussen de bank en de apotheek.

voor

перед. De auto staat voor het huis.

achter

за, позади. De tuin ligt achter het huis.

tegenover

напротив. De bushalte is tegenover de school.

bij

у, рядом, у кого-то. Ik wacht bij de ingang.

naar

к, в направлении. Ik ga naar de huisarts.

van

из, от. Ik kom van mijn werk.

uit

изнутри. Zij haalt het boek uit de tas.

door

через, сквозь. Wij lopen door het park.

over

через, над. De bus rijdt over de brug.

langs

вдоль, мимо. Loop langs de supermarkt.

links

слева, налево. Links staat een kast.

rechts

справа, направо. Rechts ziet u de ingang.

in het midden

в центре. In het midden zit een kind.

bovenaan

вверху. Schrijf uw naam bovenaan.

onderaan

внизу. Zet uw handtekening onderaan.

binnen

внутри. De kinderen spelen binnen.

buiten

снаружи, на улице. De fietsen staan buiten.

hier

здесь. Zet de doos hier neer.

daar

там. Leg de jas daar neer.

ergens

где-то. Mijn telefoon ligt ergens in huis.

nergens

нигде. Ik kan de sleutel nergens vinden.

rechtdoor

прямо. Ga bij het stoplicht rechtdoor.

linksaf

налево. Sla bij de bank linksaf.

rechtsaf

направо. Sla na de brug rechtsaf.

omhoog

вверх. Hij tilt de doos omhoog.

omlaag

вниз. De lift gaat omlaag.

naar binnen

внутрь. Kom alstublieft naar binnen.

naar buiten

наружу. Zij brengt de vuilnis naar buiten.

naar boven

наверх. Ik ga met de trap naar boven.

naar beneden

вниз. Hij loopt naar beneden.

dichtbij

близко. De school ligt dichtbij.

ver weg

далеко. Het ziekenhuis ligt ver weg.

Источники и рамки / Sources and scope

Примеры построены на бытовых ситуациях из тем книги: дом, кухня, покупки, транспорт, формы, здоровье и работа.