02 · Speaking A2
De school
Speaking goal
What you should be able to say
Vertel over een Nederlandse les. Wat doet u in de les en wat wilt u nog leren?
- Vertel wanneer en waar de les is.
- Noem twee dingen die u in de les doet.
- Zeg wat u nog wilt leren.
Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.
Practise this topic →Vocabulary
Topic vocabulary
Learn nouns with their article and verbs with a short example.
Show all words43
- de school
- school
- de klas
- class
- de leraar / docent
- teacher
- de leerling
- pupil
- de cursist
- course participant
- de cursus
- course
- het examen
- exam
- de toets
- test
- het huiswerk
- homework
- de opdracht
- assignment
- het boek
- book
- het schrift
- notebook
- de pen
- pen
- het potlood
- pencil
- het woord
- word
- de zin
- sentence
- de vraag
- question
- het antwoord
- answer
- het woordenboek
- dictionary
- de pauze
- break
- het rooster
- timetable
- het lokaal
- classroom
- het diploma
- diploma
- het resultaat
- result
- leren
- to learn
- oefenen
- to practise
- lezen
- to read
- schrijven
- to write
- luisteren
- to listen
- spreken
- to speak
- nakijken
- to check / mark
- afwezig
- absent
- aanwezig
- present
- moeilijk
- difficult
- makkelijk
- easy
- Ik volg een cursus Nederlands.
- I am taking a Dutch course.
- Ik heb les op ...
- I have class on ...
- een vraag stellen
- to ask a question. Dutch example: De leerling stelt een vraag.
- antwoord geven
- to give an answer. Dutch example: Geef antwoord in een hele zin.
- de opdracht uitleggen
- to explain the task. Dutch example: De docent legt de opdracht uit.
- het boek pakken
- to pick up the book. Dutch example: Pak uw boek en open het.
- de pen neerleggen
- to put the pen down. Dutch example: Leg uw pen na de toets neer.
- huiswerk inleveren
- to hand in homework. Dutch example: Ik lever mijn huiswerk morgen in.