03 · Speaking A2
De familie
Speaking goal
What you should be able to say
Vertel over uw familie of een persoon die belangrijk voor u is.
- Zeg wie de persoon is.
- Vertel iets over hem of haar.
- Leg uit waarom deze persoon belangrijk is.
Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.
Practise this topic →Vocabulary
Topic vocabulary
Learn nouns with their article and verbs with a short example.
Show all words42
- de familie
- family
- het gezin
- household / family unit
- de vader
- father
- de moeder
- mother
- de ouders
- parents
- de zoon
- son
- de dochter
- daughter
- de broer
- brother
- de zus
- sister
- de opa
- grandfather
- de oma
- grandmother
- de oom
- uncle
- de tante
- aunt
- de neef
- nephew / male cousin
- de nicht
- niece / female cousin
- de partner
- partner
- het echtpaar
- married couple
- het huwelijk
- marriage
- het kind
- child
- de baby
- baby
- de peuter
- toddler
- de kleuter
- young child / kindergartener
- de kinderopvang
- childcare
- de crèche
- day nursery
- de leeftijd
- age
- de verjaardag
- birthday
- op bezoek
- visiting
- ruzie
- argument
- getrouwd
- married
- gescheiden
- divorced
- samenwonen
- to live together
- oppassen
- to babysit
- houden van
- to love
- zorgen voor
- to care for
- Mijn gezin bestaat uit ...
- My household consists of ...
- Ik heb ... kinderen.
- I have ... children.
- een cadeau geven
- to give a present. Dutch example: Ik geef mijn moeder een cadeau.
- een cadeau krijgen
- to receive a present. Dutch example: Mijn zoon krijgt een cadeau.
- een kind ophalen
- to pick up a child. Dutch example: Ik haal mijn kind van school op.
- een kind naar school brengen
- to take a child to school. Dutch example: Mijn partner brengt ons kind naar school.
- de baby vasthouden
- to hold the baby. Dutch example: De vader houdt de baby vast.
- iemand helpen
- to help someone. Dutch example: Ik help mijn oma met de boodschappen.