← Темы Speaking

03 · Speaking A2

De familie

Dutch phrases and examples remain in the original: Dutch is the exam language.

TOPIC PACK / ТЕМАТИЧЕСКИЙ НАБОР 03. De familie Семья / Family

Book lesson 3 | printed page 32

42 Quizlet cards

Краткий обзор / Brief overview

This topic helps you talk about family members, age, relationships and childcare. In the exam, you may need to describe your family, talk about a celebration or explain a family situation.

Что нужно уметь / What you should be able to do

Возможные задания / Possible prompts

Nederlands

Русский

English

Uit hoeveel personen bestaat uw gezin?

Из скольких человек состоит ваша семья?

How many people are in your household?

Wie past er op uw kinderen?

Кто присматривает за вашими детьми?

Who looks after your children?

Schrijf een uitnodiging voor een familiefeest.

Напишите приглашение на семейный праздник.

Write an invitation to a family celebration.

For each prompt, give an oral answer of 3-5 short sentences. Then choose one prompt and write 4-6 sentences or a short message for the situation.

Ключевые действия / Key actions

These verbs help you build complete answers: who puts, places, gives, takes, carries or receives what.

Nederlands

Русский / English

Voorbeeld / Example

een cadeau geven

to give a present

Ik geef mijn moeder een cadeau.

een cadeau krijgen

to receive a present

Mijn zoon krijgt een cadeau.

een kind ophalen

to pick up a child

Ik haal mijn kind van school op.

een kind naar school brengen

to take a child to school

Mijn partner brengt ons kind naar school.

de baby vasthouden

to hold the baby

De vader houdt de baby vast.

iemand helpen

to help someone

Ik help mijn oma met de boodschappen.

Лексика в формате Quizlet / Quizlet vocabulary

In the accompanying TXT file, the term and definition are separated by a tab. Each new line is a new card.

Dutch term / Нидерландский термин

Definition: RU | EN / Определение: RU | EN

de familie

family

het gezin

household / family unit

de vader

father

de moeder

mother

de ouders

parents

de zoon

son

de dochter

daughter

de broer

brother

de zus

sister

de opa

grandfather

de oma

grandmother

de oom

uncle

de tante

aunt

de neef

nephew / male cousin

de nicht

niece / female cousin

de partner

partner

het echtpaar

married couple

het huwelijk

marriage

het kind

child

de baby

baby

de peuter

toddler

de kleuter

young child / kindergartener

de kinderopvang

childcare

de crèche

day nursery

de leeftijd

age

de verjaardag

birthday

op bezoek

visiting

ruzie

argument

getrouwd

married

gescheiden

divorced

samenwonen

to live together

oppassen

to babysit

houden van

to love

zorgen voor

to care for

Mijn gezin bestaat uit ...

My household consists of ...

Ik heb ... kinderen.

I have ... children.

een cadeau geven

to give a present. Dutch example: Ik geef mijn moeder een cadeau.

een cadeau krijgen

to receive a present. Dutch example: Mijn zoon krijgt een cadeau.

een kind ophalen

to pick up a child. Dutch example: Ik haal mijn kind van school op.

een kind naar school brengen

to take a child to school. Dutch example: Mijn partner brengt ons kind naar school.

de baby vasthouden

to hold the baby. Dutch example: De vader houdt de baby vast.

iemand helpen

to help someone. Dutch example: Ik help mijn oma met de boodschappen.

Speaking practice · personal

Vertel over uw familie of een persoon die belangrijk voor u is.

Answer in Dutch. This is a training task: make a plan first, then record your answer.

45 secPrepare

Your recording stays on this device and is never uploaded.

Answer plan
  1. Zeg wie de persoon is.
  2. Vertel iets over hem of haar.
  3. Leg uit waarom deze persoon belangrijk is.
Self-check
  • I answered every part of the task.
  • I used short, clear sentences.
  • I checked word order and key words.
Show sample answer

Mijn zus is een belangrijke persoon voor mij. Zij woont dichtbij en heeft twee kinderen. We bellen vaak met elkaar. Zij helpt mij als ik een probleem heb.