← Темы Speaking

24 · Speaking A2

Beroep en werk

Dutch phrases and examples remain in the original: Dutch is the exam language.

TOPIC PACK / ТЕМАТИЧЕСКИЙ НАБОР 24. Beroep en werk Профессии и работа / Occupations and work

Book lesson 24 | printed page 299

45 Quizlet cards

Краткий обзор / Brief overview

This topic includes occupations, vacancies, employment contracts, working hours and job search. You should be able to talk about experience, describe the job you want and write a short message to an employer.

Что нужно уметь / What you should be able to do

Возможные задания / Possible prompts

Nederlands

Русский

English

Wat voor werk doet u of wilt u doen?

Какую работу вы делаете или хотите делать?

What work do you do or want to do?

Welke ervaring heeft u?

Какой у вас опыт?

What experience do you have?

Schrijf uw chef en vraag een vrije dag.

Напишите начальнику и попросите выходной.

Write to your manager and request a day off.

For each prompt, give an oral answer of 3-5 short sentences. Then choose one prompt and write 4-6 sentences or a short message for the situation.

Ключевые действия / Key actions

These verbs help you build complete answers: who puts, places, gives, takes, carries or receives what.

Nederlands

Русский / English

Voorbeeld / Example

een opdracht geven

to give an assignment

De manager geeft mij een nieuwe opdracht.

informatie doorgeven

to pass on information

Ik geef de informatie aan mijn collega door.

spullen meenemen

to take things along

Neem uw werkkleding mee.

materiaal neerzetten

to put materials down

Zet het materiaal in het magazijn neer.

een collega helpen

to help a colleague

Ik help mijn collega met de taak.

loon krijgen

to receive wages

Ik krijg mijn loon aan het einde van de maand.

Лексика в формате Quizlet / Quizlet vocabulary

In the accompanying TXT file, the term and definition are separated by a tab. Each new line is a new card.

Dutch term / Нидерландский термин

Definition: RU | EN / Определение: RU | EN

het beroep

occupation

het werk

work

de baan

job

de vacature

vacancy

de sollicitatie

job application

de sollicitatiebrief

application letter

het cv

CV / résumé

het contract

contract

het salaris

salary

het loon

wage

het inkomen

income

de werkgever

employer

de werknemer

employee

de collega

colleague

de baas

boss

de manager

manager

het uitzendbureau

employment agency

de ervaring

experience

de opleiding

training / education

de werktijd

working hours

fulltime

full-time

parttime

part-time

tijdelijk

temporary

vast

permanent

zelfstandig

self-employed / independent

werkloos

unemployed

werken

to work

solliciteren

to apply for a job

verdienen

to earn

vervangen

to replace

beginnen

to start

stoppen

to stop

de dokter

doctor

de chauffeur

driver

de verkoper

salesperson

de kapper

hairdresser

Ik werk als ...

I work as ...

Ik heb ervaring met ...

I have experience with ...

Ik zoek een baan als ...

I am looking for a job as ...

een opdracht geven

to give an assignment. Dutch example: De manager geeft mij een nieuwe opdracht.

informatie doorgeven

to pass on information. Dutch example: Ik geef de informatie aan mijn collega door.

spullen meenemen

to take things along. Dutch example: Neem uw werkkleding mee.

materiaal neerzetten

to put materials down. Dutch example: Zet het materiaal in het magazijn neer.

een collega helpen

to help a colleague. Dutch example: Ik help mijn collega met de taak.

loon krijgen

to receive wages. Dutch example: Ik krijg mijn loon aan het einde van de maand.

Speaking practice · personal

Vertel over uw werk of over werk dat u graag wilt doen.

Answer in Dutch. This is a training task: make a plan first, then record your answer.

45 secPrepare

Your recording stays on this device and is never uploaded.

Answer plan
  1. Noem uw werk of beroep.
  2. Vertel wat u doet.
  3. Zeg wat u er goed aan vindt.
Self-check
  • I answered every part of the task.
  • I used short, clear sentences.
  • I checked word order and key words.
Show sample answer

Ik werk als schoonmaker in een kantoor. Ik maak kamers en toiletten schoon. Ik begin vroeg in de ochtend. Ik vind het fijn dat mijn collega’s vriendelijk zijn.