25 · Speaking A2
De economie
Speaking goal
What you should be able to say
U wilt geld besparen. Waarop kunt u besparen en hoe doet u dat?
- Noem één soort kosten.
- Vertel wat u anders gaat doen.
- Zeg wat u met het geld wilt doen.
Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.
Practise this topic →Vocabulary
Topic vocabulary
Learn nouns with their article and verbs with a short example.
Show all words47
- de economie
- economy
- de handel
- trade
- het bedrijf
- company
- de onderneming
- business / enterprise
- de ondernemer
- entrepreneur
- de consument
- consumer
- het product
- product
- de dienst
- service
- de prijs
- price
- de kosten
- costs
- de winst
- profit
- het verlies
- loss
- de schuld
- debt
- de bank
- bank
- de bankrekening
- bank account
- de euro
- euro
- de lening
- loan
- de rente
- interest
- de factuur
- invoice
- het aandeel
- share
- de beurs
- stock exchange
- de export
- export
- de import
- import
- de industrie
- industry
- de groei
- growth
- de crisis
- crisis
- stijgen
- to rise
- dalen
- to fall
- toenemen
- to increase
- afnemen
- to decrease
- sparen
- to save
- lenen
- to borrow
- betalen
- to pay
- geld opnemen
- to withdraw money
- geld storten
- to deposit money
- geld overmaken
- to transfer money
- geld uitgeven
- to spend money
- rijk
- rich
- arm
- poor
- duur
- expensive
- goedkoop
- cheap
- geld geven
- to give money. Dutch example: Ik geef de verkoper twintig euro.
- geld krijgen
- to receive money. Dutch example: Ik krijg mijn salaris op vrijdag.
- een bedrag overmaken
- to transfer an amount. Dutch example: Ik maak het bedrag vandaag over.
- een rekening betalen
- to pay a bill. Dutch example: Wij betalen de energierekening online.
- geld opzijzetten
- to set money aside. Dutch example: Ik zet elke maand geld opzij.
- een factuur sturen
- to send an invoice. Dutch example: Het bedrijf stuurt een factuur.