← Темы Speaking

13 · Speaking A2

De dieren

Dutch phrases and examples remain in the original: Dutch is the exam language.

TOPIC PACK / ТЕМАТИЧЕСКИЙ НАБОР 13. De dieren Животные / Animals

Book lesson 13 | printed page 162

43 Quizlet cards

Краткий обзор / Brief overview

This topic covers pets, farm animals and wild animals, their behaviour and care. You should be able to describe an animal, talk about a pet and explain a simple problem.

Что нужно уметь / What you should be able to do

Возможные задания / Possible prompts

Nederlands

Русский

English

Heeft u een huisdier? Vertel erover.

У вас есть домашнее животное? Расскажите о нём.

Do you have a pet? Tell us about it.

Welk dier vindt u gevaarlijk en waarom?

Какое животное вы считаете опасным и почему?

Which animal do you find dangerous and why?

Uw hond is ziek. Wat doet u?

Ваша собака заболела. Что вы делаете?

Your dog is ill. What do you do?

For each prompt, give an oral answer of 3-5 short sentences. Then choose one prompt and write 4-6 sentences or a short message for the situation.

Ключевые действия / Key actions

These verbs help you build complete answers: who puts, places, gives, takes, carries or receives what.

Nederlands

Русский / English

Voorbeeld / Example

het dier eten geven

to give the animal food

Ik geef mijn huisdier twee keer per dag eten.

de hond water geven

to give the dog water

Geef de hond vers water.

de hond uitlaten

to walk the dog

Ik laat de hond elke ochtend uit.

het konijn oppakken

to pick up the rabbit

Pak het konijn voorzichtig op.

de kat neerzetten

to put the cat down

Zet de kat rustig op de grond neer.

een huisdier meenemen

to take a pet along

Mag ik mijn hond meenemen?

Лексика в формате Quizlet / Quizlet vocabulary

In the accompanying TXT file, the term and definition are separated by a tab. Each new line is a new card.

Dutch term / Нидерландский термин

Definition: RU | EN / Определение: RU | EN

het dier

animal

het huisdier

pet

de hond

dog

de kat

cat

de vogel

bird

de vis

fish

het konijn

rabbit

de muis

mouse

de koe

cow

het paard

horse

het schaap

sheep

het varken

pig

de kip

chicken

de eend

duck

de leeuw

lion

de olifant

elephant

de aap

monkey / ape

de beer

bear

de slang

snake

de tijger

tiger

de dierentuin

zoo

de dierenarts

vet

de kooi

cage

de stal

stable

de staart

tail

voeren

to feed

verzorgen

to care for

vangen

to catch

bijten

to bite

blaffen

to bark

miauwen

to meow

gevaarlijk

dangerous

grappig

funny

sterk

strong

zwak

weak

Mijn huisdier heet ...

My pet is called ...

Ik ben bang voor ...

I am afraid of ...

het dier eten geven

to give the animal food. Dutch example: Ik geef mijn huisdier twee keer per dag eten.

de hond water geven

to give the dog water. Dutch example: Geef de hond vers water.

de hond uitlaten

to walk the dog. Dutch example: Ik laat de hond elke ochtend uit.

het konijn oppakken

to pick up the rabbit. Dutch example: Pak het konijn voorzichtig op.

de kat neerzetten

to put the cat down. Dutch example: Zet de kat rustig op de grond neer.

een huisdier meenemen

to take a pet along. Dutch example: Mag ik mijn hond meenemen?

Speaking practice · personal

Heeft u een huisdier of wilt u er een? Vertel waarom.

Answer in Dutch. This is a training task: make a plan first, then record your answer.

45 secPrepare

Your recording stays on this device and is never uploaded.

Answer plan
  1. Zeg of u een huisdier heeft.
  2. Beschrijf het dier of uw keuze.
  3. Leg uit waarom dat goed bij u past.
Self-check
  • I answered every part of the task.
  • I used short, clear sentences.
  • I checked word order and key words.
Show sample answer

Ik heb geen huisdier, maar ik wil later graag een kat. Een kat is rustig en kan in een flat wonen. Ik wil elke dag goed voor het dier zorgen.