← Topic bank

14 · Speaking A2

De tijd

Speaking goal

What you should be able to say

Vertel hoe uw dag morgen eruitziet. Hoe laat doet u drie dingen?

  1. Noem de ochtend.
  2. Noem de middag.
  3. Noem de avond.

Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

44 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words44
de tijd
time
de klok
clock
het horloge
watch
de wekker
alarm clock
het uur
hour
de minuut
minute
de seconde
second
het kwartier
quarter of an hour
het moment
moment
de pauze
break
de kalender
calendar
het verleden
past
het heden
present
de toekomst
future
vandaag
today
morgen
tomorrow
gisteren
yesterday
vanmorgen
this morning
vanmiddag
this afternoon
vanavond
this evening
vannacht
tonight
nu
now
straks
later / shortly
vroeger
in the past
later
later
altijd
always
meestal
usually
soms
sometimes
nooit
never
op tijd
on time
te laat
too late
duren
to last
wachten
to wait
beginnen
to begin
eindigen
to end
Hoe laat is het?
What time is it?
Het is half acht.
It is half past seven.
De afspraak duurt ...
The appointment lasts ...
een tijd doorgeven
to pass on a time. Dutch example: Geef de begintijd aan mij door.
een datum kiezen
to choose a date. Dutch example: Kies een datum in september.
de wekker zetten
to set the alarm clock. Dutch example: Ik zet de wekker op zeven uur.
een afspraak uitstellen
to postpone an appointment. Dutch example: Ik moet de afspraak een week uitstellen.
op tijd komen
to arrive on time. Dutch example: Kom alstublieft op tijd.
een afspraak bevestigen
to confirm an appointment. Dutch example: Ik bevestig de afspraak per e-mail.