← Topic bank

12 · Speaking A2

Het verkeer

Speaking goal

What you should be able to say

U bent te laat omdat uw bus niet rijdt. Wat doet u?

  1. Zeg wat er met de bus gebeurt.
  2. Noem een andere manier van reizen.
  3. Vertel wie u informeert.

Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

48 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words48
het verkeer
traffic
de auto
car
de fiets
bicycle
de trein
train
de bus
bus
de tram
tram
de metro
metro
de taxi
taxi
het vliegtuig
aircraft
de boot
boat
het openbaar vervoer
public transport
het station
station
de halte
stop
het kaartje
ticket
de OV-chipkaart
OV smart card
de reiziger
traveller
de chauffeur
driver
de bestuurder
driver
de weg
road
de straat
street
het fietspad
cycle path
het stoplicht
traffic light
de brug
bridge
de parkeerplaats
parking space
het ongeluk
accident
de vertraging
delay
aankomen
to arrive
vertrekken
to depart
instappen
to board
uitstappen
to get off
overstappen
to transfer
parkeren
to park
oversteken
to cross
rechtdoor
straight ahead
linksaf
to the left
rechtsaf
to the right
langzaam
slowly
snel
quickly
veilig
safe
kapot
broken
Hoe kom ik bij ...?
How do I get to ...?
Welke bus moet ik nemen?
Which bus should I take?
de fiets neerzetten
to put down, park the bicycle. Dutch example: Ik zet mijn fiets bij het station neer.
een kaartje aan de controleur geven
to give the ticket to the inspector. Dutch example: Geef uw kaartje aan de controleur.
bagage meenemen
to take luggage along. Dutch example: U mag één tas meenemen.
de auto aan de kant zetten
to pull the car over. Dutch example: Zet de auto veilig aan de kant.
de weg vragen
to ask for directions. Dutch example: Ik vraag de weg aan een medewerker.
de route uitleggen
to explain the route. Dutch example: Kunt u de route naar het station uitleggen?