← Topic bank

04 · Speaking A2

Het formulier en de agenda

Speaking goal

What you should be able to say

U wilt een afspraak maken bij de gemeente. Welke gegevens moet u geven en wanneer kunt u?

  1. Noem uw naam en contactgegevens.
  2. Zeg waarvoor u een afspraak wilt.
  3. Noem een dag en tijd waarop u kunt.

Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

43 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words43
het formulier
form
de agenda
diary / calendar
de afspraak
appointment
de datum
date
de dag
day
de week
week
de maand
month
het jaar
year
de ochtend
morning
de middag
afternoon
de avond
evening
het weekend
weekend
de voornaam
first name
de achternaam
last name
het adres
address
het huisnummer
house number
de postcode
postal code
de woonplaats
town / city
het telefoonnummer
telephone number
het e-mailadres
email address
de geboortedatum
date of birth
de geboorteplaats
place of birth
de nationaliteit
nationality
de handtekening
signature
het paspoort
passport
de identiteitskaart
identity card
invullen
to fill in
ondertekenen
to sign
inleveren
to hand in
afspreken
to arrange / meet
verzetten
to reschedule
annuleren
to cancel
beschikbaar
available
op tijd
on time
te laat
too late
Ik wil een afspraak maken.
I would like to make an appointment.
Kan de afspraak op ...?
Can the appointment be on ...?
het formulier afgeven
to hand in the form. Dutch example: Geef het formulier aan de medewerker af.
een handtekening zetten
to sign, put a signature. Dutch example: Zet uw handtekening onderaan.
het formulier opsturen
to send the form. Dutch example: Ik stuur het formulier vandaag op.
gegevens doorgeven
to pass on details. Dutch example: Ik geef mijn nieuwe adres door.
een afspraak bevestigen
to confirm an appointment. Dutch example: Kunt u de afspraak per e-mail bevestigen?
een datum voorstellen
to suggest a date. Dutch example: Ik stel maandag 12 augustus voor.