← Topic bank

08 · Writing A2

De boodschappen

Writing goal

What you should be able to write

Schrijf een boodschappenlijst voor uw huisgenoot.

  1. Schrijf minimaal vier producten.
  2. Noem ook één drankje.
  3. Vraag om een product niet te vergeten.

Turn every task bullet into at least one complete sentence.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

42 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words42
de boodschappen
groceries / shopping
de supermarkt
supermarket
de winkel
shop
het winkelcentrum
shopping centre
de klant
customer
de verkoper
salesperson
de kassa
checkout / till
de kassabon
receipt
de prijs
price
de aanbieding
special offer
de korting
discount
het geld
money
contant
cash
pinnen
to pay by debit card
de winkelwagen
shopping trolley
de tas
bag
het artikel
item / product
de openingstijden
opening hours
open
open
gesloten
closed
vers
fresh
goedkoop
cheap
duur
expensive
kopen
to buy
betalen
to pay
besteden
to spend
uitgeven
to spend
inpakken
to pack
halen
to get / collect
brengen
to bring
ruilen
to exchange
de klacht
complaint
Ik zoek ...
I am looking for ...
Waar kan ik ... vinden?
Where can I find ...?
Hoeveel kost dit?
How much does this cost?
Kan ik met pin betalen?
Can I pay by card?
een product pakken
to pick up a product. Dutch example: Ik pak een pak melk uit het schap.
geld aan de verkoper geven
to give money to the shop assistant. Dutch example: Hij geeft het geld aan de verkoper.
een artikel teruggeven
to return an item. Dutch example: Ik wil dit artikel teruggeven.
boodschappen meenemen
to take the groceries along. Dutch example: Ik neem de boodschappen mee naar huis.
de tas bij de kassa neerzetten
to put the bag down at the checkout. Dutch example: Zet de tas bij de kassa neer.
korting krijgen
to receive a discount. Dutch example: Met deze kaart krijg ik korting.