← Topic bank

07 · Writing A2

De keuken

Writing goal

What you should be able to write

Schrijf voor uw huisgenoot hoe hij of zij soep kan opwarmen.

  1. Zeg wat nodig is.
  2. Schrijf twee stappen.
  3. Zeg wanneer de soep klaar is.

Turn every task bullet into at least one complete sentence.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

42 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words42
de keuken
kitchen
de koelkast
fridge
de oven
oven
het fornuis
cooker / stove
de magnetron
microwave
de pan
pan
de koekenpan
frying pan
het mes
knife
de vork
fork
de lepel
spoon
het bord
plate
het glas
glass
het kopje
cup
de fles
bottle
de keukentafel
kitchen table
de keukenkast
kitchen cupboard
het aanrecht
kitchen counter
het recept
recipe
de maaltijd
meal
het zout
salt
de peper
pepper
het water
water
koken
to cook
bakken
to fry / bake
snijden
to cut
wassen
to wash
afwassen
to wash the dishes
bewaren
to keep / store
weggooien
to throw away
koffie zetten
to make coffee
de tafel dekken
to set the table
opruimen
to tidy up
Eerst ...
First ...
Daarna ...
After that ...
Zet de oven aan.
Turn on the oven.
Hoeveel ... heb ik nodig?
How much / many ... do I need?
iets op tafel leggen
to put something on the table. Dutch example: Leg het mes op tafel.
een pan op het fornuis zetten
to put a pan on the cooker. Dutch example: Zet de pan op het fornuis.
een mes pakken
to pick up a knife. Dutch example: Pak een schoon mes.
zout in de soep doen
to put salt in the soup. Dutch example: Doe een beetje zout in de soep.
een bord aan iemand geven
to give someone a plate. Dutch example: Geef mij alstublieft een bord.
water in een glas gieten
to pour water into a glass. Dutch example: Giet het water in een glas.