← Темы Writing

07 · Writing A2

De keuken

Dutch phrases and examples remain in the original: Dutch is the exam language.

TOPIC PACK / ТЕМАТИЧЕСКИЙ НАБОР 07. De keuken Кухня и приготовление еды / The kitchen and cooking

Book lesson 7 | printed page 76

42 Quizlet cards

Краткий обзор / Brief overview

This topic covers kitchen objects, appliances and the sequence of preparing food. You should be able to explain a simple recipe, give an instruction and say where an object is.

Что нужно уметь / What you should be able to do

Возможные задания / Possible prompts

Nederlands

Русский

English

Wat staat er in uw keuken?

Что находится на вашей кухне?

What is in your kitchen?

Hoe maakt u een eenvoudige maaltijd?

Как вы готовите простое блюдо?

How do you prepare a simple meal?

Waar liggen de messen en de vorken?

Где лежат ножи и вилки?

Where are the knives and forks?

For each prompt, give an oral answer of 3-5 short sentences. Then choose one prompt and write 4-6 sentences or a short message for the situation.

Ключевые действия / Key actions

These verbs help you build complete answers: who puts, places, gives, takes, carries or receives what.

Nederlands

Русский / English

Voorbeeld / Example

iets op tafel leggen

to put something on the table

Leg het mes op tafel.

een pan op het fornuis zetten

to put a pan on the cooker

Zet de pan op het fornuis.

een mes pakken

to pick up a knife

Pak een schoon mes.

zout in de soep doen

to put salt in the soup

Doe een beetje zout in de soep.

een bord aan iemand geven

to give someone a plate

Geef mij alstublieft een bord.

water in een glas gieten

to pour water into a glass

Giet het water in een glas.

Лексика в формате Quizlet / Quizlet vocabulary

In the accompanying TXT file, the term and definition are separated by a tab. Each new line is a new card.

Dutch term / Нидерландский термин

Definition: RU | EN / Определение: RU | EN

de keuken

kitchen

de koelkast

fridge

de oven

oven

het fornuis

cooker / stove

de magnetron

microwave

de pan

pan

de koekenpan

frying pan

het mes

knife

de vork

fork

de lepel

spoon

het bord

plate

het glas

glass

het kopje

cup

de fles

bottle

de keukentafel

kitchen table

de keukenkast

kitchen cupboard

het aanrecht

kitchen counter

het recept

recipe

de maaltijd

meal

het zout

salt

de peper

pepper

het water

water

koken

to cook

bakken

to fry / bake

snijden

to cut

wassen

to wash

afwassen

to wash the dishes

bewaren

to keep / store

weggooien

to throw away

koffie zetten

to make coffee

de tafel dekken

to set the table

opruimen

to tidy up

Eerst ...

First ...

Daarna ...

After that ...

Zet de oven aan.

Turn on the oven.

Hoeveel ... heb ik nodig?

How much / many ... do I need?

iets op tafel leggen

to put something on the table. Dutch example: Leg het mes op tafel.

een pan op het fornuis zetten

to put a pan on the cooker. Dutch example: Zet de pan op het fornuis.

een mes pakken

to pick up a knife. Dutch example: Pak een schoon mes.

zout in de soep doen

to put salt in the soup. Dutch example: Doe een beetje zout in de soep.

een bord aan iemand geven

to give someone a plate. Dutch example: Geef mij alstublieft een bord.

water in een glas gieten

to pour water into a glass. Dutch example: Giet het water in een glas.

Writing practice · instructions

8:00 min

Your draft is saved only on this device. Do not enter real personal, medical or banking data.

Self-check
  • I answered every part of the task.
  • I used short, clear sentences.
  • I checked word order and key words.
Show sample answer

Je hebt een pan en een lepel nodig. Doe de soep in de pan. Verwarm de soep vijf minuten en roer af en toe. Als de soep heet is, kun je eten.