← Topic bank

19 · Speaking A2

De Nederlandse cultuur

Speaking goal

What you should be able to say

Noem een Nederlandse gewoonte die u kent. Wat vindt u daarvan?

  1. Noem de gewoonte.
  2. Beschrijf een voorbeeld.
  3. Zeg wat u ervan vindt.

Do not memorise the sample answer. Follow the plan and use your own details.

Practise this topic →

Vocabulary

Topic vocabulary

42 cards

Learn nouns with their article and verbs with a short example.

Show all words42
de Nederlandse cultuur
Dutch culture
de traditie
tradition
de feestdag
public holiday
Koningsdag
King's Day
Sinterklaas
Sinterklaas
Kerstmis
Christmas
Nieuwjaarsdag
New Year's Day
de verjaardag
birthday
het cadeau
gift
de tulp
tulip
de molen
windmill
de klomp
wooden shoe
de dijk
dyke
de polder
polder
de fiets
bicycle
de boterham
slice of bread / sandwich
de hagelslag
chocolate sprinkles
de appeltaart
apple pie
de pannenkoek
pancake
de stamppot
mashed potato dish
de kring
circle of chairs
het museum
museum
de schilder
painter
Rembrandt
Rembrandt
Van Gogh
Van Gogh
vieren
to celebrate
feliciteren
to congratulate
uitnodigen
to invite
typisch Nederlands
typically Dutch
oranje
orange
gezellig
cosy / convivial
direct
direct
op tijd
on time
Wat viert u?
What do you celebrate?
In Nederland is het normaal om ...
In the Netherlands it is normal to ...
Ik vind deze traditie ...
I find this tradition ...
een cadeau geven
to give a present. Dutch example: Wij geven een cadeau op een verjaardag.
een cadeau krijgen
to receive a present. Dutch example: Het kind krijgt een cadeau van Sinterklaas.
bloemen meenemen
to take flowers along. Dutch example: Ik neem bloemen mee als ik op bezoek ga.
kaarsen aansteken
to light candles. Dutch example: Wij steken de kaarsen aan.
een kaart sturen
to send a card. Dutch example: Ik stuur mijn buurvrouw een kaart.
de tafel dekken
to set the table. Dutch example: We dekken de tafel voor het feest.