← Все темы

Тема 7

7. De Nederlandse staat — geschiedenis, bestuur en rechten

7. De Nederlandse staat — geschiedenis, bestuur en rechten

← Terug naar de inhoudsopgave

Overzicht van het onderwerp: geschiedenis → migratie en internationale samenwerking → koning, regering en parlement → bestuurslagen en machtenscheiding → partijen en verkiezingen → rechtsstaat en grondrechten.

Wat je voor het examen moet kunnen

Je moet de belangrijkste perioden uit de Nederlandse geschiedenis kennen, de gevolgen van kolonialisme en de Tweede Wereldoorlog begrijpen, regering, kabinet en parlement van elkaar kunnen onderscheiden, de bestuurslagen en soorten verkiezingen kennen, en de rechtsstaat, gelijkheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst kunnen uitleggen.

1. Tijdlijn van de geschiedenis

Middeleeuwen en godsdienst

De periode van ongeveer 500 tot 1500 heet de Middeleeuwen. Het gebied bestond uit kleinere gebieden die de Nederlanden werden genoemd. De meeste inwoners hoorden bij de Rooms-Katholieke Kerk, die veel invloed had.

Tachtigjarige Oorlog: 1568–1648

In de zestiende eeuw werden sommige inwoners protestant en verzetten zij zich tegen de Spaanse katholieke koning. In 1568 begon een oorlog voor godsdienstige en politieke onafhankelijkheid; deze eindigde in 1648.

Willem van Oranje:

Zeventiende eeuw: handel, cultuur en koloniën

In de zeventiende eeuw werd Nederland rijk door internationale handel. Schepen vervoerden goud, specerijen en andere goederen. Rijke families bouwden grachtenhuizen; schilders zoals Rembrandt maakten beroemde werken, waaronder De Nachtwacht.

De rijkdom hing ook samen met koloniaal geweld en slavernij.

Gebieden onder Nederlands bestuur waren onder andere:

Mensen werden tot slaaf gemaakt en gedwongen om op plantages te werken. Voor modern KNM moet je niet alleen de economische successen kennen, maar ook de gevolgen van kolonialisme en slavernij.

Tweede Wereldoorlog: 1940–1945

Holocaust

De nazi's namen Joodse mensen stap voor stap hun rechten af, dwongen hen een gele ster te dragen, deporteerden hen naar kampen en vermoordden hen. Zes miljoen Joodse mensen werden tijdens de Holocaust vermoord.

Anne Frank zat met haar familie ondergedoken in het Achterhuis in Amsterdam, schreef een dagboek, werd gearresteerd en stierf in een kamp. Het gebouw is een museum geworden.

Antisemitisme — discriminatie van Joodse mensen — is verboden, net als andere vormen van discriminatie. Dodenherdenking is op 4 mei en Bevrijdingsdag op 5 mei.

2. Migratie naar Nederland

Belangrijke historische groepen zijn:

Veel tijdelijke werknemers bleven, vormden gezinnen en kregen kinderen en kleinkinderen die in Nederland zijn geboren.

3. Internationale samenwerking

Organisatie Hoofddoel
Verenigde Naties Vrede, veiligheid, humanitaire en internationale samenwerking wereldwijd.
NAVO Militair bondgenootschap van Europese en Noord-Amerikaanse landen.
Europese Unie Economische, juridische en politieke samenwerking tussen Europese landen.

Nederland accepteert internationale verplichtingen en kan gezamenlijke afspraken niet zomaar negeren.

4. Constitutionele monarchie

Nederland is een koninkrijk en een parlementaire democratie. De monarch is koning Willem-Alexander; zie het bestand met actuele feiten voor de huidige minister-president en coalitie.

Rol van de monarch

Met het koningshuis bedoelen we de officiële naaste leden van de koninklijke familie, niet een gebouw. De oudste dochter van de koning, prinses Amalia, is de troonopvolger.

5. Regering, kabinet en parlement

Regering

In de Grondwet bestaat de regering uit de koning en de ministers. De minister-president leidt het werk van de ministers. Elke minister is verantwoordelijk voor een gebied, zoals onderwijs, financiën of justitie.

Kabinet

Het kabinet bestaat uit ministers en staatssecretarissen die het dagelijkse beleid voeren. Een staatssecretaris helpt een minister en behandelt een deel van diens portefeuille.

Parlement

Het parlement, of de Staten-Generaal, bestaat uit:

Belangrijkste taken:

De regering en het parlement zitten in Den Haag.

6. Drie bestuurslagen

Laag Leider van het bestuur Vertegenwoordigend orgaan Voorbeelden van taken
Nederland minister-president Eerste en Tweede Kamer landelijke wetten, defensie, inburgering, onderwijs.
Provincie commissaris van de Koning Provinciale Staten regionale wegen, natuur, woninglocaties en ruimtelijke ordening.
Gemeente burgemeester gemeenteraad sociale ondersteuning, afval, lokale voorzieningen en delen van wonen en dienstverlening.

De burgemeester wordt niet door inwoners rechtstreeks gekozen zoals de gemeenteraad; de burgemeester wordt via een wettelijke procedure benoemd. De raad stemt over lokale plannen en begrotingen.

7. Scheiding der machten

Macht Wie Rol
Wetgevende macht Regering en parlement Maakt wetten.
Uitvoerende macht Regering, ministers en ambtenaren Voert wetten en beleid uit.
Rechterlijke macht Onafhankelijke rechters en rechtbanken Beslecht geschillen en legt volgens de wet straffen op.

De machten zijn gescheiden en controleren elkaar. De regering mag een rechter niet vertellen welke beslissing hij of zij moet nemen; het parlement controleert de ministers. Dit voorkomt dat alle macht bij één persoon of groep terechtkomt.

8. Politieke partijen

Mensen worden lid van een politieke partij omdat zij ideeën delen en samen beslissingen willen beïnvloeden.

Links en rechts

Progressief en conservatief

Deze assen zijn niet hetzelfde: een partij kan economisch rechts zijn maar op sommige sociale onderwerpen progressief, of andersom.

9. Verkiezingen

Verloop

  1. Partijen publiceren verkiezingsprogramma's.
  2. Zij voeren campagne.
  3. Een kiezer kiest een kandidaat op een partijlijst.
  4. Zetels worden verdeeld volgens de uitslag.
  5. Meestal vormen meerdere partijen een coalitie om te regeren.
  6. Als een kabinet de samenwerking of het vertrouwen verliest en aftreedt, heet dat een gevallen kabinet; er kunnen vervroegde verkiezingen volgen.

Stemmen is niet verplicht, maar het wordt gezien als een belangrijke manier om mee te doen aan de democratie.

Belangrijkste verkiezingen

Verkiezing Frequentie Wie mag normaal vanaf 18 jaar stemmen
Gemeenteraad Elke 4 jaar Nederlandse en EU-burgers, plus bepaalde inwoners van buiten de EU na minstens 5 jaar rechtmatig verblijf.
Provinciale Staten Elke 4 jaar Nederlandse burgers die in de provincie wonen. De leden van Provinciale Staten kiezen indirect de Eerste Kamer.
Waterschap Elke 4 jaar Inwoners van het gebied van het waterschap; de Nederlandse nationaliteit is niet altijd vereist.
Tweede Kamer Elke 4 jaar, tenzij eerder Nederlandse burgers.
Europees Parlement Elke 5 jaar EU-burgers die volgens de geldende regels zijn geregistreerd.

10. Nederland als rechtsstaat

Een rechtsstaat is een land waar de wet voor iedereen geldt, ook voor de overheid, en waar rechters onafhankelijk kunnen beslissen.

Belangrijke waarden

Grondwet, artikel 1

De Grondwet garandeert gelijke behandeling in gelijke gevallen en verbiedt discriminatie. Dit gaat over geslacht, afkomst, huidskleur, godsdienst, politieke overtuiging, handicap, seksuele gerichtheid en andere gronden.

Mannen en vrouwen

De wet geeft gelijke rechten:

In de praktijk bestaat nog steeds ongelijkheid, maar dat maakt discriminatie niet wettig.

11. Vrijheden en hun grenzen

Vrijheid van meningsuiting

Mensen mogen de regering bekritiseren, een mening publiceren, een petitie tekenen en aan een demonstratie meedoen. Vrijheid geeft geen toestemming voor bedreiging, opruiing, discriminatie of ander gedrag dat volgens de wet verboden is. Woorden kunnen wettig maar kwetsend zijn; maatschappelijke verantwoordelijkheid blijft belangrijk.

Vrijheid van godsdienst

Mensen mogen een godsdienst kiezen, veranderen of afwijzen, samenkomen in een kerk of moskee en hun geloof uiten. De overheid bepaalt niet wat iemand moet geloven.

De wet gaat vóór een gewoonte

Vrijheid van meningsuiting en godsdienst bestaan binnen de wet. Godsdienst kan geweld, discriminatie of schending van de rechten van een ander niet rechtvaardigen. Een demonstratie moet voldoen aan eisen voor veiligheid en openbare orde.

12. Rechter en hoger beroep

Een rechter:

Als een partij het niet eens is met een beslissing en de wet dit toestaat, kan zij in hoger beroep gaan bij een hogere rechter. Zolang een beslissing geldt, moet deze worden gevolgd.

Belangrijke data en aantallen

Feit Betekenis
1568–1648 Tachtigjarige Oorlog.
1584 Moord op Willem van Oranje.
Zeventiende eeuw Handelsrijkdom, grachtenhuizen, kunst en koloniale uitbuiting.
1940–1945 Bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog.
1944–1945 Hongerwinter.
5 mei 1945 Bevrijding van Nederland.
150 Leden van de Tweede Kamer.
75 Leden van de Eerste Kamer.
4 jaar Normale cyclus voor verkiezingen voor Tweede Kamer, provincie, gemeente en waterschap.
5 jaar Europees Parlement; ook een belangrijke periode bij bepaalde verblijfsregels en gemeentelijk kiesrecht voor inwoners van buiten de EU.

Begrippen die vaak worden verward

Begrippen Verschil
Regering / kabinet Koning en ministers / ministers en staatssecretarissen die het dagelijkse beleid voeren.
Parlement / regering Controlerende en wetgevende kamers / uitvoerende politieke leiding.
Tweede Kamer / Eerste Kamer 150 rechtstreeks gekozen leden met sterkere bevoegdheden om te wijzigen / 75 indirect gekozen leden die uiteindelijk ja of nee zeggen.
Gemeenteraad / burgemeester Gekozen lokaal vertegenwoordigend orgaan / hoofd van het gemeentebestuur dat via een procedure wordt benoemd.
Wetgevende / uitvoerende / rechterlijke macht Maakt wetten / voert uit / oordeelt onafhankelijk.
Links / rechts Vooral economische en sociaal-financiële prioriteiten.
Progressief / conservatief Houding tegenover maatschappelijke verandering.
Actief / passief kiesrecht Stemmen / kandidaat zijn.
Vrijheid van meningsuiting / discriminatie Recht om een mening te uiten / verboden ongelijke behandeling of opruiing.
Petitie / demonstratie / referendum Handtekeningen voor een verzoek / openbare actie / stemming voor of tegen een voorstel.

Veelvoorkomende examenvallen

Actief onthouden

  1. Waarom begon de Tachtigjarige Oorlog en hoe lang duurde zij?
  2. Waarom is Willem van Oranje belangrijk?
  3. Welke negatieve kanten hoorden bij handel en koloniën in de zeventiende eeuw?
  4. Wat gebeurde er tijdens de Hongerwinter?
  5. Wat was de Holocaust en wie was Anne Frank?
  6. Noem drie internationale organisaties en hun taken.
  7. Wat is het verschil tussen de regering en het kabinet?
  8. Welke kamers vormen het parlement en hoeveel leden hebben zij?
  9. Wie leidt een provincie en wie stemt in een gemeenteraad?
  10. Noem de drie machten.
  11. Wat is het verschil tussen links/rechts en progressief/conservatief?
  12. Wie mag stemmen voor de Tweede Kamer?
  13. Wat zijn actief en passief kiesrecht?
  14. Wat betekent een rechtsstaat?
  15. Wat garandeert artikel 1 van de Grondwet?
  16. Kan vrijheid van godsdienst geweld of discriminatie rechtvaardigen?
  17. Wat doet een rechter en wat is hoger beroep?
Antwoorden
  1. Godsdienstig en politiek verzet tegen Spaans bestuur; 1568–1648, tachtig jaar.
  2. Hij leidde het verzet, steunde godsdienstvrijheid, is een voorouder van het koningshuis en is verbonden met de symboliek van oranje.
  3. Koloniale overheersing, dwangarbeid, handel in tot slaaf gemaakte mensen en uitbuiting.
  4. Ernstige honger en kou in de winter van 1944–1945 veroorzaakten veel doden.
  5. De moord door nazi's op zes miljoen Joodse mensen; Anne Frank was een Joods meisje dat in Amsterdam onderdook en een dagboek schreef.
  6. VN — vrede en veiligheid; NAVO — militair bondgenootschap; EU — Europese economische, politieke en juridische samenwerking.
  7. De regering bestaat uit de koning en ministers; het kabinet uit ministers en staatssecretarissen.
  8. Tweede Kamer — 150; Eerste Kamer — 75.
  9. De commissaris van de Koning en Provinciale Staten; in een gemeente stemt de raad over plannen en leidt de burgemeester het bestuur.
  10. Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
  11. Links/rechts gaat vooral over economie en de rol van de overheid; progressief/conservatief gaat over de houding tegenover verandering.
  12. Nederlandse burgers van 18 jaar of ouder die aan de registratieregels voldoen.
  13. Het recht om te stemmen / het recht om kandidaat te zijn.
  14. De wet bindt iedereen, ook de overheid volgt de wet en rechters zijn onafhankelijk.
  15. Gelijke behandeling in gelijke gevallen en een verbod op discriminatie.
  16. Nee.
  17. Een rechter beslecht geschillen, past de wet toe en legt straffen op; bij hoger beroep vraagt een partij een hogere rechter de zaak opnieuw te beoordelen.

Gebaseerd op hoofdstuk 7 van het boek, gedrukte pagina's 153–178. Actuele informatie over ambtsdragers staat in een afzonderlijk bestand.